rook en vuur

Hel en hemel, een wereld van verschil.

I.Q.

Hoe hoger de hoed,
hoe lager het I.Q.
(Zelf draag ik nooit een hoed.)

Advertenties

Nog steeds

Jaren her, winter in november: matrassen gingen door het raam,
officieren van justitie door het lint. Dan, deelde mijn zwart zaad
met een navenant konijn, verdween in het bos, belaagde ruiter en ros.
Kocht een jas, vond een das, deed een plas, riep: trossen los!
Jaren sinds, nog steeds winter in mij.

De pet geroofd

Als geen zoden meer aan de dijk, de gordijnen van mist.
Wordt in weliswaar nimmer op te helderen wisselvalligheden
een kind gedood, een klokkenluider monddood en vermoord.
Wordt van kleine jan de pet geroofd, van jan met de hoed
gezegd: wat hij ook doet, ’t is altijd goed.

Mei ’68

‘s Avonds, in de maand mei van het jaar 1968, kwam ik na een dag niksen kort na zeven uur thuis en vaak moest ik me nog reppen om het tv-journaal met de laatste berichten uit Parijs & de beelden van stenensmijters brandende auto’s en erop loskloppende flikken niet te missen, ik denk er nog vaak met plezier aan terug. Dan had ik urenlang in quasi lege auditoria rondgehangen, mijn thermos leeggedronken, een broodje kaas gegeten, in de bibliotheek wat buitenlandse kranten doorgenomen, een boekhandel bezocht, Marx Lenin Mao en Freddy hun ding laten doen, de hipste der meisjesstudenten met een mond vol tanden aangekeken hun kleren bewonderd en hun gang geïmiteerd, veel in de handen geklapt of hard boeh geroepen al naargelang de aanleiding vereiste. Dinsdag, woensdag, donderdag en alle andere dagen, maar op zaterdag of zondag niet, liepen we ons blaren op de voeten door straten waar we anders nooit kwamen, scandeerden als de Grieken holle leuzen en riepen onze kelen schor. Van eigen geld hadden mijn ouders zopas een Peugeot 404 gekocht, veel recht op protesteren had ik dus niet, hoewel: zij waren ik niet. We gingen de wetenschappers wakker schudden, maar dat lukte niet. We gingen het studentenrestaurant bezetten, maar dat lukte niet. We gingen het rectoraat bestormen, maar dat lukte niet. We gingen dit en we gingen dat, ha! Ik bestelde een pak frieten, donner kebab of pita bestonden nog niet. “Met zout?” “Ja, hoor, doe maar veel.”
Stel u voor, mei 1968: voor de prijs van drie keer niks kocht iemand in die dagen in Frankrijk nog een boerderij met een onoverzienbare lap eigen grond erbij of een als historisch monument geklasseerd kasteel temidden van een tuin Versailles waardig, wist ik veel. Marx Lenin Mao en vooral Freddy daarentegen wisten wel veel.

Steil, bruingeverfd en uiterst gevaarlijk

De trap was steil, bruingeverfd en uiterst gevaarlijk, mijn grootvader 74 en klaar. De hond aan de ketting, priester en akoliet al biddend onderweg, het Tweede Vatikaans Concilie nog volop aan de gang, en Woodstock. Woodstock, – wie had daar ooit al van gehoord.

18.36 u, iemand sloot zijn ogen, de zonen bogen voorover en beaamden knikkend wat ze de dagen voordien waren overeengekomen. Mijn vader droeg zijn blauwe pak, buiten speelden de neven Ronde van Frankijk, binnen schonk mijn enige nicht borrels als had ze de ziekte van Parkinson. Door de inwonende tante werd grootvaders geldbeugel vanonder de matras gehaald, eerst voorzichtig getoond en dan omzichtig geopend. Leeg, geen twijfel mogelijk. Mijn moeder droeg zwartlederen handschoenen en lippenstift van het merk Bourgeois. Het huis kwam de oudstgeborene toe, de jongste kreeg een stuk land en een visvijver, mijn vader was blij met het werkgerief van een der laatste wielenmakers uit de streek, ik ook. Thuisgekomen aten we Nonkels Natuurbrood, joegen we er een halve kilo gehakt door, stond de keukendeur op een kier.

Tot drie dagen na de begrafenis mocht de radio niet aan waren gekke geluiden uit den boze weerklonk kort voor het slapengaan de mantra der ivoren paternoster, dan hervatte het leven zijn gewone gang: we boerden weer met genoegen, lieten winden met plezier en à volonté, spraken terwijl we aten. Wie op school verscheen met een rouwbandje om steeg tijdelijk in de achting van hen die goed waren in kaatsen of voetballen, later accountant of makelaar zouden worden. 1964, iets meer dan vijftig jaar geleden.

Oerdom

Kijk mij: in penibele omstandigheden, – zeg maar.
Leger dan de vaten van communicatie, de Vlaamse poëzie.
Liep langs richels, overzag ravijnen, daalde naar de dalen,
waadde door de rivieren, dronk cola, riep: “Vriejdom!”
Tot plots een bos vol slagbomen. 24 jaar, oerdom.

Nooit

Nooit zal ik Amerika, Denemarken, Roland Garros,
boer Bavo of mijn kinderen, nooit. Hoe hoog ook
water zal golven, een permanent zit er niet in. Niet
het schrijven van een gedicht, niet het verzinnen
van een verhaal. Van snookeren ken ik zelfs de regels niet.

Droge was

Er rollen geen rotsen geen stenen van de bergen,
het dal hoeft niet te vrezen, de lucht zal klaren,
het licht schitteren, de was drogen, de scharen zich sluiten,
de waarheid overwinnen, het recht zegevieren, enzovoorts.
Hoe anders echter.

De groenen

Ik leef waar haast geen huizen nauwelijks dorpen en amper winkels, in een streek waar in weinig ordelijke bossen eenzame vossen en in diepe valleien enorme keien, ten gepaste tijde appelen peren en pruimen, noten bramen kleine weegbree grote weegbree, uilen distelvinken roodborsten zwaluwen en eekhoorntjesbrood weinig of geen mussen, stier en geit, alles tuin, iedereen arm. Kar en paard al jaren aan de kant, doch de lucht nog helder het licht nog fel het leven harder dan ooit, – en de groenen? En masse richting stad, ter verheerlijking van het eigen ras, ter verafgoding van wat nooit was.
En nu, Handke, Kafka en de vroegste briefwisseling van T. S. Eliot.

Houzee!

Als eens het huis van leven door het grote vergeten is betreden,
de borstels niet meer vegen en de potten niet meer koken,
de wolf het schaap dood heeft gebeten. Woorden van geen tel,
en rekeningen zonder belang. Zeeman, dan vaar op uw schip,
want lager dan uw kaai is de wal. Houzee!