rook en vuur

Hel en hemel, een wereld van verschil.

TENSLOTTE

En zo komt aan alles een einde, in dit geval: hoera, en niks helaas.
Als er al bijna twee jaar of daaromtrent zich een verrader onder de lemmings schuilt, wie zou er dan de brui niet aan geven? Ik. Ik zwijg, en ik blijf zwijgen. Maar op de den duur gelijkt het een surrealistisch wagenspel, een macaber bouwstuk, en als de betrokkene hersens heeft weet ook hij wie ik bedoel. Soit. Wellicht, vast en zeker duik ik (‘Soon, very soon’, dixit Brian Cox) elders en anders weer op, doch voorlopig blijf ik me als vanouds op papier potlood en pen inkt en postzegels op boekbinderslijm en de snijmachine toespitsen. Met andere woorden: als straks de storm gaat liggen, zal ik dat ook doen; als morgen de storm weer opsteekt, dan kan het land op mij rekenen.
Ik dank Gerard E., Suzanne P. en Rob zonder meer indien deze dan toch nog onder de levenden, en verklaar mezelf graag tot wederdienst bereid, al was het maar omdat ik niet zou weten hoe dat gedaan. Het moment gekomen beroert Dick de Kater nu de grote trom uit 1961 die bespannen met ezelsvel we via eBay et cetera, en gaan zijn en mijn gedachten nog even naar de Vlaamse literaire wantoestanden, citeer ik daarom toch maar tussendoor Wim Noordhoek ‘Ik weet nog dat ik Els Moors hielp haar eerste bundel te ontvlaamsen’, haha – maar grappig vind ik dat niet, verre van hhmm, strijk ik dus de vlag, knoop ik in gedachten de fluwelen jas, schik ik mijn sjaal, en nauwelijks hoorbaar herhaal ik voor de zoveelste keer: kapitein was en ben en zal ik, verstekeling en banneling evenzeer, koksmaat en scheepsjongen, nijvere matroos en vunzige rat, Maarten Biesheuvel en Joseph Conrad, Mark Twain en Sylvain Tesson, Hermann Hesse en Alfred Döblin, maar nooit meer, nooit meer Stijn Streuvels.
Hoe lager uw wal, hoe hoger mijn zee!

(Als hier een dezer het licht wordt gedoofd, blijf ikzelf nog een tijdlang bereikbaar via rookenvuur at hotmail.com.)

29102019

Iedere ochtend – maar een ritueel zou ik het niet durven te noemen, duurt het wel even en meestal meer dan even vooraleer ik recht en op de been, het hoofd naar links en de armen omhoog, me vastklamp aan de dakbalken en mezelf overeind trek om dan met veel moeite het zoldertrapje af door de knieën te gaan om de kachel aan te steken, en buiten alle heisa trotseer om een schare wachtende dieren waaronder de jongste tijd ook vogels – weer of geen wind, het maakt weinig uit. En hoe ik op een dag ongeveer vijfentwintig jaar geleden na een week van helse pijnen nog nauwelijks kon bewegen en toch de berg afsukkelde om me exact 372 meter lager op het dorpspleintje vast te klemmen aan de tractor van boer Joseph en zo – lijkbleek ondertussen, toch tot bij de dichtsbij huizende toubib te geraken, waar ik me ter plekke verwonderde over de lengte van de naald en met de glimlach vaststelde dat hij zijn handen niet waste en een laatste trek aan zijn sigarete, en hoe dan ik achteraf toch weer boven geraakte, hout hakte brood bakte en alles deed wat daar op rijmt. Probeer overigens zelf maar eens de vlam in de pijp van het fornuis te krijgen op een dag als vandaag met het hoofd en de voeten letterlijk in de wolken, geen zeupje wind en een mist zo dik als de vacht van een schaap zonder poten, ik heb zo wellicht al meer fijnstof en giftige dampen ingeademd dan tien regimenten kettingrokers tezamen.
Mijn overige heil zoek ik de komende maanden wellicht vooral bij Alfred Döblin, Hermann Hesse, Robert Musil en Peter Handke.
Haal de trekker maar over, vergeet de rijstpap met gouden lepeltjes niet.

23102019(2)

Het was in 1963 of 1964 dat in de schwung der tijden op de school die ik toen al zeven of acht jaar bezocht en die mij allesbehalve lief was de kunstdansgroep flo werd opgericht, jonge knapen die in vliesdunne nauwspannende maillootjes en glittergileetjes met de navel bloot doch de tepels zo zedig verborgen dat kloosterzusters aan hun bestaan twijfelden en nog meer in God begonnen te geloven, op de toppen van hun tenen als waren ze Roedolf Noerejev zelve over en weer huppelden min of meer op de maat van eeuwenoude hymnes en studentikoze feestgezangen, en daarbij ook al eens een luizige strandbal aan mekaar doorgaven of met een papieren vlaggetje zwaaiden. Pater Pedo was de door God geroepen man die met lenige vingers en zwierige heupen een filtersigaretje in de hand en de soutane op een kier op de tweede en derde zondag van de maand oktober in een afgesloten ruimte uit honderddertig kandidaten de dertig gegadigden had gekozen, en op die manier evenveel jonge levens in de knop had gebroken als harten die niet deugden sneller doen kloppen. Driemaal in de week werd gerepeteerd, in de vooravond tijdens het schemerdonker. Wat waren de ouders fier dat hun adonis tot de uitverkorenen behoorde, ik zie ze nog met minachting kijken toen Eric en ik in een hoek van de grote koer hardop discussieerden over Nietzsche en daarbij ook Foucault en Walter Benjamin ter sprake brachten hoewel we daar allemaal niets van afwisten en de toeters noch de blazen van begrepen, toen niet en ik nu nog niet, want Eric is al jaren dood. De avond der première zat de feestzaal al een uur voor de aanvang stampvol met naar eau de cologne ruikende zeugen en tot bloedens toe geschoren dekhengsten: vaders, moeders, ooms, tantes, grootvaders, grootmoeders, een verre neef in een rolstoel die ze niet alleen hadden kunnen achterlaten omdat hij de vorige keer het hele boeltje had ondergescheten en de burgemeester want die liet hem zo’n buitenkans ook niet ontglippen. Ik meen me te herinneren dat ikzelf toen thuis klaar zat om naar een aflevering van De Onkreukbaren te kijken met Robert Stack als Eliot Ness en Al Capone als Al Capone, in zwartwit en de tv iets luider dan anders want mijn vader keek mee.
Drie jaar later werd tijdens de examens pater Pedo in de vroege namiddag in allerijl van de school verwijderd, sommigen beweerden agenten in burger te hebben herkend. Nog eens drie jaar later werd hij in zijn cel om kwart na zes in de ochtend dood gevonden, toen hij begraven werd woonde ik in Amsterdam, zou de week daarop Commander Cody ontmoeten en deed een interim op Schiphol Oost bij Koehring Europe een importeur van kranen en hefmaterialen. (Ik werkte daar zes uren per dag, en bracht er met succes negen in rekening.)
De jaren zestig was ook de tijd dat meester Knor en Fra Angelico roem oogstten met hun veertig in witte jezuskleden gestoken eunuchen die liederen van Bach zongen, maar evenzeer Will Ferdy imiteerden, of Harry Belafonte. En stel u voor, dat is nu allemaal al meer dan vijftig jaar geleden, en ik denk er met steeds meer plezier aan terug. Vooral op een dag als vandaag, regenbuien de volgende reeds als de eerste nog niet gedaan is, het winterhout in het droge, elke fruitboom in de passende kuil, de vanillepap klaar om nog lichtjes warm gegeten te worden, een dikke bolknak van Agio’s Gouden Oogst in de immer halfopen mond.

23102019

Dalilla Hermans is een vijfsterren vijftig tinten nogal donker getaande onmaagd die wellicht vrij succesvol de Vlaamse gouw bewoont zoniet beheert – wie geen tv kijkt en veraf in de buitenlanden woont, zich zelden of nooit verplaatst noch wast en last heeft van de maag als hij te sterk gekruid, heeft daar zo geen kijk op, gelooft dus wat hij leest: dat ze haar samenwerking met de VRT opzegt, ‘haar samenerking met de VRT’! Is het dan al zover gekomen?
En is het ook niet zo dat een of andere oubollige kabouter Plopper uit des patersbieren Affligem zich tijdens de kantooruren en conform de voorschriften heeft gemeld om de beminde gelovigen door de Rode Zee van het leven & alle mogelijke klimaat- en geslachtsveranderingen heen te loodsen naar vergane tijden.
Ach, schoenmakers hebben geen leest meer om bij te blijven. In Vlaanderen bestaan er zelfs geen schoenmakers meer, en wat betreft de leesten, u weet wel.

18102019

‘t Is maar hoè dat ge iets zegt, om het even wat. Of het nu gaat over het doden van een mockingbird of het eten van rijstpap met een gouden lepeltje. En zowaar even belangrijk: tegen wie, en ook waar & wanneer. Wie in wolken wil leven, moet de juiste tongen leren spreken. Zo is het de westermensen geleerd, van apostel op apostel, van farizeeër op farizeeër, van judas op judas. Want wie liegt en zegt dat spreken zilver en zwijgen goud, is rijk en stinkt. Want wie zwijgt en arm, nijgt tevergeefs naar goud.
Laat mij maar roepen in de woestijn, daar wordt tenmisnte niemand beter van – zelfs ik niet.

10102019

Ieder leven is verhaal en bestaat van zodra het wordt verteld, en alleen dan. Al mompelend, op papier, digitaal, uit het hoofd, in de verbeelding, als boodschappenlijstje of zinsbegoocheling, enzovoorts. Zoniet: geen Christus, geen Aristoteles, geen Jean-Philippe Smet of Johnny Hallyday. Misschien schuilt hierin wel de ware reden dat ik – een verstoteling van nature die al driekwarteeuw iedere deur clicclac op z’n neus, graag biografische geschriften lees, Wahrheit und Dichtung. Zo sta ik – dat maak ik me althans wijs, toch nog met één been in mensenland, niet te verwonderen dat ik lichtjes hink.

09102019

Alleszins dit ben ik volkomen eens met Jonathan Franzen: “De vluchtelingencrisis in Europa is een picknick in vergelijking met de migratie die eraan komt.” De menigvuldige oorzaken en de bloedzame ernst der gevolgen zijn ieder oor en oog bekend, maar ze zullen het weer niet gewusst haben, van vader op schoonzoon, van moeder op kleindochter, – het zij zo.
Eens om de vijf à zes weken ben ik genoodzaakt om in de meest nabije enclave – drie à vierduizend inwoners en zo’n 25, 30 km van hier, in troebel water te gaan vissen: me ter post te begeven om pakjes te wegen en postzegels te kleven, geld uit de muur te halen, de apotheker de hand te schudden, de ijzerwinkel in en uit te schuifelen, een krant en een tijdschrift, een pot inkt, twee zakken dierenvoer, een gat in mijn rechterschoenzool laten dichten door een der laatste echte schoenmakers uit de streek, en zo voorts. Twee uur later zit ik echter alweer op eigen stok want koffie noch terras kunnen eraf, ontlast ik tweemaal tereke de darmen en voel ik me zoals na ieder bain de fous zwak en ziek. Ik denk niet dat ik ooit nog de zee zal zien, een museum bezoeken of als verstekeling op de nachttrein, besneeuwde toppen voorgoed vaarwel. De doodgraver weet wat hem te doen staat: de goedkoopste kist (’t is een bleke zonder koperwerk, voor wie het interesseert), geen bloemen geen kransen en met kleren die ik al dan niet aan zo de oven in, en met de asse mag hij doen wat hij wil: uitstrooien, weggeven, de vuilkar, verkopen, opeten. “En moet er dan niemand verwittigd worden, meneer?” “Neen, niemand. Heeft u mij al eens goed bekeken?”

07102019

Tot ongeveer vijftig jaar geleden – de wetten van oog & stand golden nog steeds als de hoogste en de beste in domorenland, mei ‘68 moest nog uitbreken al was het maar om de gatkrabbers tot het einde der tijden (en dat had gisteren al kunnen zijn) van wormen te voorzien; de leden van de Bond van Grote en Jonge Gezinnen weliswaar met een eigen weekblad doch zonder strafblad waagden zich al eens aan macramé, en voor boer en tuinder en de inwonende mémés en de uitgebonjourde pépés was er eindelijk de langverwachte helaas mislukte kaassouflé om warm op te dienen en alsnog koud op te eten; de padvinders speelden vals en boerenkrijg, en zongen zuidafrikaanse liederen in het Nederlands; in de kerken zaten op bevel van pausenhand en kousenband de vrouwen met bedekt hoofd en zonder zichtbare armen of benen links van de middengang en de mannen rechts, de homofielen kwamen er toen nog niet in, lesbische vrouwen bestonden nog niet, en voor iedere dienst was er minstens één pedofiel voorzien – drie voor de prijs van vier.
Dus, bolhoeden, hoofddoeken, tulbanden, tiara’s en sharia’s en zo voorts, – kom mij wat vertellen. Ik voel me niet aangesproken – nooit, ben wat dat betreft niet thuis – nergens. Loopt het mis – schitterend, wordt het oorlog – prachtig, is het al zover, dan zie ik wel of misschien ook niet. Groeten aan al mijn vijanden, groenten voor al mijn vrienden.

06102019 (2)

Ik ben geen fan van Benno Barnards geschrijf – hoe accuraat en mooi als weinigen hem kunnen nadoen hij soms ook z’n woorden weegt en z’n zinnen wikt, ergernis is nu eenmaal oorzaak en gevolg van mijn bestaan. Toch kan ik zijn notities van vandaag op Doorbraak zéér waarderen, ook en vooral zijn uiterst terechte uithaal naar Charles Frans Ducal de la Dumortier et Cetera, – Charles Ducal? Eens maoïst, altijd dichter des vaderlands.

Dat is nog niet de duur van een muggenscheet minister of dat jaagt het handjevol mensen van goede wil al de kast op en dan nog op Zondag – machtsmisbruik. Dixit Zulma de Mier:“Ik vind de straatprotesten welletjes. We hebben het nu wel begrepen.”

Zoals de versgebakken doch aangebrande minister-president die wellicht nog het een en het ander en in nomine weinig vegetarisch klinkt, z’n kabouterschoenen maar niet kan ontgroeien en à rato van ik weet niet hoeveel per uur uit andermans zakken spelletjes speelt, waar en wanneer hij geacht wordt de Vlaamse gouw van verdere ondergang te redden – maar ach, niks verloren.

Wouter Fosse: wellicht is het kind weggegooid en de nageboorte gehouden. Zijn start als minister van welzijn is veelbelovend, hij begint bij zichzelf.

Omdat de Walen van Herstal een kanon, eisen de Vlamingen ter compensatie ook un canon.
Eindelijk, het volk krijgt wat het voorstelt: niets.
Groot Gent: huugh talons en Klein Turkije.
Wie geen visie, hoeft geen missie.
Incompetenten houden van bevoegdheden.
Voor incontinenten tellen rode lichten niet.
De nichten ontregelen de neven.
De goede herder dekt zijn schapen zelf, met de mantel der liefde of anderszins.

De grote schande is dat allemaal niet, bijlange niet, ze kennen immers Raoul Vaneigem niet! Zie en hop naar Libertaire Orde.

05102019

‘s Avonds (hoe laat is het dan? tien of elf uur, halftwaalf?) als ik geradbraakt en nog maar met zeer veel moeite rechtop geraak, dan denk ik: weer een dag verloren, en hoe hard mijn labeuren ook was, hoe diep mijn gedachten, hoe luid mijn lachen, voor wie zijn ganse leven als verkloot en om zeep beschouwt, erg is dat, en daarenboven: iedere voorbije verloren dag is een uur en misschien wel vierentwintig of achtenveertig minder te gaan. Zand erover, oudewijvenpraat.
Want ook ik heb vele lentes de bomen fris en fel groen zien worden, gehoord hoe luidruchtig kinderen een spel dat ik niet kende, Sinterklaas en Zwarte Piet gespeeld, vruchten van arbeid geoogst en gewezen padvinder goede daden verricht, in het nauw gedreven bergen beklommen, ja, vernederd en gelauwerd ben ik geworden – alles tegelijk. ‘k Zou goed gek zijn er belang aan te hechten, en nu duik ik verder het leven van Anna Seghers in, van de ene verbazing in de andere, meer dan duizend bladzijden, en wat een verzorgde uitgaaf: Aufbau Verlag.