rook en vuur

Hel en hemel, een wereld van verschil.

Ha, ha!

Wie laatst lacht, heeft veel gemist.

Advertenties

Vesten van schapenvacht

Als in zaal Koningshof op zaterdagavond zeer laat de lichten werden gedimd en de zoveelste kusjesdans ingezet grepen Freddy Paul Dirk Raoul Erik en ik naar onze aansteker, doch had er zelf geen mompelde dan maar wat en deed alsof, was eenentwintig – aan dansen deed ik niet. Sartre, Simone de Beauvoir, John Lee Hooker, Louis Paul Boon, alleswetend keken we in het rond stonden in een kring konden elkaar nauwelijks horen, veel zegden we niet. Ondertussen is Erik al meer dan tien jaar, en zijn ook Carlos, Frits, Guido en André, doch aan autorijden doe ik nog steeds niet. Ha, wij slungels die vettig haar amper baard na middernacht zeventien talen spraken, uit het hoofd Goethe Schiller Heine en Prévert, Zot Polleke en wat mij betreft de eerste drie alinea’s uit Der Prozess van Franz Kafka.
‘En dannnnnnn nu Dddaaames en Eeeere op ferrrsoek van de gasteeeere’, … want, ja, waar ik woonde werden de Yellow Lines vier broers en ik weet niet meer hoeveel zussen op handen gedragen, konden amper lezen en nauwelijks schrijven, maar zoals zij krop in de keel de bambalabambalabamba, niet één van hen was groter dan een meter vijftig. De hele zaal in vuur en vlam, en toen twee jaar later, de revolutie was reeds begonnen en haar en baard groeiden welig, vesten van schapenvacht en broeken en platen rechtstreeks uit Amerika, middernacht, een uur, twee uur, de stencilmachine draaide, draaide, en wij met z’n allen door.

Les amis d’antan (13)

In 2004 leerde ik in Amsterdam niet ver van huisnummer 49 – waar weleer Jan Cremer en vele jaren later ikzelf, de man met het eeuwig bloedend hoofd kennen, een Pool. (Ik vraag me wel eens af: zou hij nog leven?) Uit de onmogelijkste der zijstraten, vantussen de naamlooste der stegen of spleten, vanachter eender welk marktkraam in opbouw, op een regenachtige dinsdagochtend of uit een pas aangemeerde boot, en op een keer in de maand juli zomaar uit een raam op de eerste verdieping boven een kunstgalerie die kort daarop definitief de deuren sloot – ik herinner me nog hoe de galeriehouder geboeid de combi in en onbehouwen alles wat los of vast zat naar buiten sjouwden zoals pompiers of hulpverleners wel eens doen na een brand, wijzend en krijsend een heer en een zwier die ondanks zijn bitsige ogen bleef verbazen doch zijn effect nooit miste, Noerejev te na en zelfs de fysieke gelijkenis ontbrak niet. Ik zag hoe felgeschminkte dames van middelbare leeftijd in hun handtas naar de geldbeugel grabbelden – de mond halfopen en de benen krom van nature, hoe hoge en vaak bejaarde heren de portefeuille trokken, en hoe niet ver van het Waterlooplein want hij had maar een zeer beperkt werkterrein, een groepje Griekse toeristen op zijn aanwijzen aan een wilde achtervolging begonnen, en hoe hij zich bij hen voegde en dan zonder dat iemand er aandacht aan schonk of iets van merkte verdween in het grote niets dat de stad van mijn dromen geworden was na de dood van de zovelen die ik heb gekend en die ik niet heb gekend.
Hij en de man die geen vuur kon vatten kenden elkaar, maar dat wist ik toen nog niet, helaas.

Geven en nemen

Geef de vissen water, meer dan de golven dragen kunnen.
Geef de zeeën eilanden, meer dan er schepen varen zullen.
Geef de vossen de wouden, meer dan er bomen groeien.
Geef de benen de voeten, maar vergeet niet de schoenen.
Gun de lamp het licht. Verkies zoals ik de duisternis.

Schone Rita

De dag dat schone Rita in Diest Lier of Aarschot een welsprekendheidstornooi won en een aureool van verkoperde laurier haar veel te kleine overigens lege hoofdje sierde, toen een maat van mij aan de draailier raakte en plotsklaps vloeiend Keltisch sprak, mijn vader het om kwart na zeven onaangekondigd over het bestaan van vierkantswortels had, dat de schilder het model en ik in het niemandsveld tussen Houtland en Eerkegem het noorden kwijt in een oud estaminet geuze zonder grenadine en boerenbrood met hesp of was het kramiek met kaas, 1969. Het scheelde geen haar of mijn leven was in gunstige zin gekeerd.

Kaltgestellte pils

Ik was een schutterig jongetje dat zeer moeizaam ter wereld was gekomen want het woog zo zwaar, zo zwaar dat het eerst bijna dood en dan schijndood, doch helaas: ik raakte er weer bovenop, en bleef leven en dat doe ik nog, zoals ik al zei: helaas. Net niet mismaakt en allesbehalve adonisch van aard doorspartelde ik de troosteloze doch eindeloze jaargangen die het knapenschap en het jongelingenzijn voor mij in petto hielden: mijn mond paste zich aan en binnenin groeiden tanden waar en zoals het niet hoorde, die naar licht hapten zoals een koe in barensnood naar lucht, met twee ervan kon ik een fles ontkurken, John Massis leefde ervan. Nooit bloedde ik uit mijn neus en ik kon knikkeren als de beste, maar kwam er niet aan te pas, – voetbal, tennis, pingpong en badminton idem dito. De richels die gangen en klaslokalen in geval van tegen wateroverlast zouden beschermen waren mijn gedroomde vluchtheuvels: Jan, Erik, Raoul, Carlos, Guido en ik. Ieder jaar sterft sinds kort één van hen, en weldra ik – zo gaat dat. En toch, dag & nacht bouw ik ons een thuis, drink ik koffie uit de blauw geëmmailleerde kan (- heb ik eens voor bijna niets via via van de Deutsche Bundeswehr, maar dat terzijde) en zo nu en dan kijk ik uit het enige raam en tel de vogels, de uren en de minuten, de bloemen en het geld dat verstopt ligt in de bovenste la van onze enige kast, een zwaarbeladen erfenis. Een hoed draag ik nooit, maar indien op een keer wie weet dan zou ik graag een korte buis met bijhorende jas uit achttien in de zeventig: Amerika, Deadwood, Hell on Wheels. Zo dom als ik ben had ik me het zijn nooit voorgesteld, ik kon lezen, schrijven, rekenen, tekenen, abonneerde me op tijdschriften en dagbladen, kocht bloemen op moederdag en een assortiment schroeven en moeren op vaderdag, en een van mijn vrienden bakte ik de poets van zijn leven, bleek een moordenaar teweeg. Ik dacht, maar zie, thans en wellicht nog een wijle: ongewassen de dag in, en ‘s avonds moegetergd het licht uit. Bezocht nog nooit een sauna, betrad nog nooit alleenlijk een onbekend café, dronk in mijn hele leven minder dan een kwart van een liter whisky, geef mij maar een glas kaltgestellte pils of een kom patersbier en wat navenant Dublinersachtig plezier. Boeken te over, maar lezen, nog liever schrijf ik zelf iedere dag een ander telkens opnieuw hetzelfde verhaal.
Mijn laatste korte broek was in juli 1964, tweeduizendachthonderd vierenzeventig kilometer van hier, maar toch. Hop dus, nieuwe avonturen tegemoet.

Les amis d’antan (7)

Wel heb ik meer dan eens een kerel ontmoet die de duur van een blauwe maandag lesspeller was aan een der hoogste instituten des lands, het eigen hoofd echter zo hoog in het vaandel droeg dat zijn voeten geen grond meer genaakten zodat zijn benen overbodig hij van leverlijden naar de fles der waanzin greep, – zijn naam doet er niet toe, hijzelf evenmin. Doch dat hij  jaren geleden zijn giftige pad in mijn korf en zijn seniele lees debiele slang in mijn mand & mijzelf met de dood, nadat ik toch meer dan heel wat voor hem: E. R., bah!

Mijn wiegje

“Bedankt, lieve ouders, dat mijn wiegje …”
Mijn wiegje was 1948 een versleten wasmand met echt stro en een kussensloop vol kippendons kersenpitten en tot ieders verwondering een dode muis zo al niet twee, gedoken onder de pannen in de verste hoek van het alkoof dat mijn vader en mijn moeder in de stulp van mijn grootvader, die geen wielrenner niet fietsen kon, doch een wielenmaker was die aan onbekende ziektes leed en op vierenzeventigjarige leeftijd stierf – (kon ik maar schrijven: zie foto, hobbies had hij niet). En mijn oom de klarinetspeler die daar ook woonde, eerst ongehuwd dan als vader van twee kinderen: paling snoek en baars, maar ten getijde ook spreeuwen vinken en lijsters. Wij leefden de verhalen de novellen en de romans, Streuvels Claes en Timmermans schreven ze; eeuwig blijf ik mijn ouders dankbaar, en ook dat mijn vader vele oostfronters met de voornaam aansprak. Kort daarop echter keerde het tij: welvaart deed zijn blijde intrede in het land van valse beloften, nijd en afgunst in niet mindere mate. Het geweer werd van schouder gewisseld, doch de kogels bleven eensgezind fluiten.
Als vanzelfsprekend gingen we groter en hoger wonen, genoten we doch van het verkeerde: mijn vader en moeder leerden elkaar met mes en vork te eten, duimdikke vleeslappen ontsierden voortaan onze borden, en met gereed geld werd bij D’Ieteren Frères te Brussel een blauwgeverfde kever gekocht. Voor een handvol stuivers wees Rudolf Meccano die weinig later zou sterven ons op de gebreken: geen handrem, een losse klink, olieverlies. Wat weet hij daarvan, sprak mijn moeder, en: ge gaat toch niet naar hem luisteren. En toen we halverwege in panne vielen: hoe komt dat nu? Op zondag proefden we al eens wijn ook al was het en niet alleen ons inziens azijn, zelfs water dronken we niet langer met ons hoofd bluts en buil onder de kraan doch uit een echt en breekbaar glas. Op zaterdag hadden we verse soep en graag Chesterkaas op ons Nonkels natuurbrood, daar hoorde een kaasboek bij, een woordenboek en een atlas hadden we al – kostte allemaal wel een flinke duit, maar ja: we gingen nooit uit, wisten niet dat oesters eetbaar waren en venmin wat stadskledij was, we woonden op den buiten en teelden eigen ajuin knipten mekaars kruin en appels peren mispels krieken en erwten kregen we gratis van mijn moeders vader. Meer nog: op een dag kocht mijn vader zich kort voor de middag aan loket 2 een treinticket eerste klas naar Brussel, heen en terug, zesenveertig frank, maar toen hij wilde instappen mocht dat niet van de controleur die de vader van E was die in mijn klas zat en in B woonde, en zelfs dat is in ons nadeel afgelopen. En hoe: liever één slag onder de gordel dan tien op de muile! Goed geweten, zei de geestelijk gespleten en lichamelijk gehandicapte van tenaast de deur. Het maakte niet uit.
De dagen, de weken, de maanden, de jaren, er kwam maar geen einde aan. Het scheelde zelfs geen haar of ik leerde lopen, spreken, lezen en schrijven zelfs rekenen. Mijn vader die geen rechten had en er geen wilde werd ouder en ouder, en genoot doch met mate van zijn plichten. Genot was iets dat mijn moeder niet kende. Zo ook ik: een appel valt nooit ver van de boom, zeker een rotte niet.

Terecht.

Eerst hoog en dan veraf, toen laag en nabij. Door bos veld
en hei vuistdik de sneeuw holt de vos, laat weinig sporen.
In zijn tas geen glas geen bord, niet één duit. Geen laptop.
Wat restanten van genuttigde malen, de kop van een kip.
Mijdt de huizen, schuwt de mensen, vreest het licht. Terecht.

Revolutie!

Ik behoor tot het handvol mensen dat in de vorigeeuwse jaren zestig en zeventig één meter drieëntachtig mat 72 kgr woog en verkeerd doch geamuseerd opliep met het wiegje van vader Abraham, de bloemkolen van André van Duyn en de onbestaande charmes van de Zangeres zonder Naam, terwijl ik tegelijk notoir toog hing in de beste jazzclub van het land en met gekleurde corifeeën onderhandelde over de prijs van boskabouters als daar waren Chuck Berry en Memphis Slim om Champion Jack Dupree niet te vergeten, – het leven van zonsondergang tot zonsopgang, de klaarst mogelijke inzichten. Drie straten en evenveel stegen verder diende ik Simon Vinkenoog van ongevraagde repliek en menig politicus verbliksemde ik ter plaatse, vooral dewelke nuiten hun eigen geweten om in dure limousines werden aan- en afgevoerd, maar toen enkele meters van mij niet ver van de goorste gevangenis van het land Deep Purple zijn laatste laaiende akkoorden inzette en de hele santekraam haast letterlijk in vlam en vuur veerde ik recht als nooit tevoren en bracht ik geluiden voort die in de Encyclopdie der Domheid met twee asterixen beschreven worden, drie uur in de ochtend toen ik thuiskwam en mijn moeder de raag van één miljoen niet over haar lippen kreeg en mij zo het antwoorden verhinderde. Kort daarop veroverden Eric en de zijnen waaronder ik zelf het podium in wat heette Vorst-Nationaal, en aldus ontmoette ik Albert Frère, een of andere nageboorte van Piet Hein en at ik in Marokko de lekkerste couscous ooit met de achterneef of schuinbroer van de koning. In de gevangenis van Elvas zag ik hoe in een kuil ter grootte van een amfitheater uiterst donkere lieden werden mishandeld door heren met torenhoge kepie en ringen 18 kts, ik stond erbij en keek ernaar. Dat ik toen geen moord heb begaan en negentien jaar later evenmin: het spijt mij.
Iedere revolutie is van alle tijden. Kwart na zeven.