rook en vuur

Hel en hemel, een wereld van verschil.

Quatorze juillet

De gedachten zijn vrij,
de denker niet.
Nooit.

Huis

(3)

Bouwde een huis met gebreken, haast geen zolder, veel tuin.
Water als citroen geperst uit een citern, elektra zes panelen,
hout in het fornuis en de muren, bos verderop. Katten komen aan huis,
egels ook, eksters tikken tegen het raam. Het uitzicht fabelachtig.
Eenzaam, dat is nog zacht uitgedrukt.

(6)

Zelfvoorziening, – ha, ha! Breide een muts, bakte een brood,
kocht een kip, legde een ei, hoefde geen geld. Schreef een brief,
kreeg geen antwoord. Hield geen varken, at geen geit,
dronk geen melk, tien paar sokken, prostaat noch cholesterol.
Vangen hoge omen veel wind, onze molen draait.

Les Amis d’Antan (8)

Uiteraard! Ik ben de laatste om te ontkennen, de eerste om te bevestigen: Stijn ook Frans en Meester Streuvels was een uitermate schrijver en dito fotograaf, roker drinker en drifthoofd navenant, een bolhoedje leespijp en wandelstok zo belezen kerel dat hij jong nog dreigde geleerd te worden doch verkoos kind van zijn volk en diens rekening te blijven enerzijds om de tegennatuurlijke onhebbelijkheden der familie niet te schaden en anderzijds doch vooral om den brode, – eens bakker altijd middenstander. Soit!

(…)

Toon Breës die wat mij betreft de gedroomde waterdrager is van de bende van Simons, Gisekin, Thiers, Bertus en Boris en al diegenen die van het Lijsternest een Schijtersnest hebben gemaakt gaf al ruim een halve eeuw tussengas – ikzelf heb niet eens rijbewijs, en de eindmeet nog net niet in zicht verscheen zijn enorm volumineuze citatenboek doorlopend doorspekt doorweekt van al te vaak triviale meestal weinig ter zake doende randbemerkingen: ‘Stijn Streuvels Een kritische en biografische synthese’, een kanjer van te na duizend bladzijden. Weinig kritisch, nauwelijks biografisch en allesbehave een synthese. En ach, wil je een straatvechter als Speliers ontmannen dan volstaat een krultang niet. Los daarvan.

(…)
(De dag dat mijn moeder wafels bakte, en de postbode probeerde de bekende Streuvelskroniek van Luc Schepens – het beste Streuvelsboek der voorbije halve eeuw, in de alreeds overvolle brievenbus, en nog een en ander.)
(…)

Ik verwachtte mij aan vuurwerk losbandigheid haremgedoe, aan een fanfare die alles & iedereen van de kaart zou knallen: halfzwangere majoretten voorop, een vaandel uit 1924 of daaromtrent, leden van het bestuur met een zijdeachtige tricolore wikkel om de bovenarm – twee ervan roken, vrouwen op leeftijd die voetpad op goot in benevens lopen met hoge stapels doorzichtige regenkledij over en onder de rechterarm en een zijdeachtige tricolore wikkel dat spreekt vanzelf, doch in werkelijkheid niet eens een hond met een bollekenszakdoek om de hals of een hoed op als mascotte, bleek een oude man in welhaast lompen ter plaatse te strompelen weliswaar onhoorbaar de volmaakste volzinnen te mompelen, af en toe met beide vingers te wijzen naar deze en opnieuw deze en nogmaals deze, maar nooit naar die of gene hem of haar, – integendeel.

Les Amis d’Antan (11)

Ik had Spanje Portugal Zwitserland en de alkovenkamer van maat R de gendarmszoon al herhaaldelijk en uitvoerig bezocht – Marokko nog niet, toen in het allerprilste der beginnende jaren zeventig Henri-Floris Jespers en de volgens menigeen eveneens van stijl voorziene Werner Spillemaeckers aanbelden, ruim een half uur later dan per wederzijdse briefkaart was afgesproken. Ik opende, ontwaarde in het aureool van de ter plaatse schaars verlichte duisternis de nog dampende Kuifjesmobiel, groette de heren navenant en vroeg me af waarom mijn ouders al die jaren geleden geen Jaguar met houten dashboard hadden gekocht in plaats van een overjarige met de hand herschilderde donkerblauwe Volkswagen, want liever nog had ik de legergroene Ford Anglia uit 1947 van mijn lievelingsoom handmatig aangezwengeld. Beide heren droegen een stropdas, ikzelf pantoffels en Jespers die zo nu en dan het hoofd op vreemde wijze bewoog bovenop een ondervest waar de graad van vermeende belangrijkheid afdroop, het was de tijd dat haarscherpe zwartwit foto’s à la Irving Pen hoog in aanzien stonden. Ik wist genoeg en tegelijk van niets, en nu nog is dat zo. Mijn geuze hoefden ze niet, koffie met suiker en melk zouden ze, maar ik liet mij niet ontmoedigen en pakte alsnog uit met kaas plakjes worst en mosterd van het merk Devos Lemmens, sprak over Boon, het mij welbekende Celbeton en Adolf Merckx die kort daarop hoofdonderwijzer zou worden en gisteren nog langs was geweest met plannen stijf van algehele waanzin en bol van uitzinnige wereldverbetering – zoals steeds per fiets, over de Wetterse Poëziemarkten, en of ze Carel Swinkels kenden zoniet de Papa Bue Viking Jazz Band uit Denemarken. Zoveel was zeker, ik had mezelf weer eens diep in een kuil gegraven waar niet meer viel uit te ontsnappen, daarenboven regende het.

Drie jaar eerder of korte tijd later ontmoette ik Werner Spillemaeckers in gezelschap van Ben (toen nog annex Reynolds) Klein, ze traden op in meubelhandel Edépé waar zo nu en dan kunst werd geëxposeerd en dichters of kleinkunstenaars dan een avond bont deden, niks cultureel hoogstaand – uiteraard niet: Vlaams en goed. Voor zover ik me herinner duurde hun optreden niet lang, gooiden ze met pingpongballetjes, althans Klein deed dat, waren ze onverstaanbaar en omdat het vrijdagavond was besloten mijn maat en ikzelf onze schaakclub nog met een bezoek te verereren, zodoende was ik pas na middernacht terug thuis. Stel u voor dat ik toen al als zonderling met een baard tot op de grond en een grauwe monnikspij op een klein boerderijtje had gewoond, een immense bibliotheek, druipkaarsen porto een boomgaard twee honden katten en enkele schapen of geiten, – hoe anders zou mijn leven van nadien er niet hebben uitgezien? Vladivostok, Katmandou, Cassablanca, … (Maar ja.)

(Blablabla et cetera.)

En ziedaar, we bevinden ons alreeds en toch nog plots aan de voet van de op het eerste zicht en bij nader inzien onoverkomelijke eenentwintigste eeuw en sta ik in een der mooiere panden aan de Amerikalei (maar dat is een ander verhaal) op een zaterdagnamiddag om halfvijf weer oog in oog met Werner Spillemaeckers die me enkele van zijn publicaties ten geschenke aanbiedt, ik vraag me nog steeds af hoe het zover is kunnen komen: Gils, Klein, van Maele, het toeval, Albert Szukalski, …

Wat nu en daaruit volgt is de amateuristische uitgave door mij van zijn Tien Brabantse Teksten, waaraan drie maanden van ongeziene geheimzinnigheid voorafgaan, Kafkaïaanse dwaaltochten door het toenmalige Antwerpse Justitiepaleis, nachtelijke escapades, rinkelende telefoons, ongewenste intimiteiten, een verkleedpartij, de dichter die 39 komma zes ijlend en ijlings langs komt na de ontdekking van weeral een ander onbestaand complot en zoveel, zoveel meer, doch soit: in de bundel figureer ikzelf in een waas van gewauwel bij naam en als persoon voorzien van allerlei duisterheden die in geen lichtjaren verklaard zullen worden tenzij reïncarnatie bestaat. De knal-boem bundelpresentatie was als literaire namiddag een opdoffer van jewelste mijn verjaardag meer dan waardig inclusief deurwaarders griffiers rechters witte en rode wijn Turks brood olijven bakjes om geld in te deponeren Henri-Floris Jespers Bobb Bern Ben Klein Herman J Claeys de hond Maboul, enzovoorts. Kassa, kassa, als nooit tevoren en nimmer nadien. Werner Spillemaeckers, Tien Brabantse Teksten: moet er nog zand zijn?

Mij is eeuwig het leven

Ik hoef geen armbandhorloge, geen staande klok, geen rinkelende reiswekker,
– andermans tijd interesseert mij niet.

In een land …

… waar broekschijters hoog van de toren blazen,
roeren gatlikkers de trom. Enzovoorts.

Ma jeunesse

Als het regende, het vroor sneeuwde of waaide, of zomaar
werd o wonder van de hoogste zolder de kapotste kous
en gretig ons geld geteld & herteld, over de weelde
van verre neven verteld, en zei zij: il manque une pièce,
dan zei hij: oui, maman, c’est ma jeunesse.

Tot wat berg was weer berg was

Ik heette vele namen, was onbestaande,
borg tijd & berg in voorbije jaren en wachtte
tot bericht mij aanbelangde, laadde de wagen
en dieper dan dal waadde door nieuwe jaren naar ander land.
Tot wat berg was weer berg was geworden, in 2004.

Kind aan de lijn

Mijn vader die al lang niet meer is, lijkt zeer tevreden
dat H en ik – al meer dan 26 jaar. Nooit iets over gezegd.
En mijn moeder die er evenmin nog is, zegt: in ieder geval,
beter dan. Maar klinkt dat welgemeend, is dat goedbedoeld?
Neen, kind aan de lijn.

Een dagboek!

Ik denk er wel eens aan – en waaraan niet, waarom niet een dagboek bij te houden, heb misschien nog tien jaar te gaan en dan lijkt het me haalbare kaart, maar evenzo laat ik het brood van daarnet morgenochtend definitief aan anderen, of ik word honderdenzeven jaar – nog erger. Keek zelfs al eens in de papierhandel wat ze zoal aan bruikbaars in voorraad hebben: lijntjes, ruiten, A3, A5, gebonden, geplastificieerd, in promotie, beduimeld, in de slecht verlichte hoek, als overjarig restant, valt er wat te ritselen met de kassierster. Maar dan!
Een pluviometer lijkt me onmisbaar, een wandelstok, een verrekijker – ik wil weten waarover ik schrijf, en waarom. Een hoed, indeed: een hoed. Van iedere dag, van elke nacht zou ik zoveel mogelijk de graden Celsius noteren – hoe dat, wel ik vraag het mij ook af, hoe hard en vanwaar de wind, wat groeit er in mijnen hof, welke boeken waar besteld en hoeveel bedragen de verzendkosten, zijn ze in goede staat ongelezen gekreukt het lezen niet waard geschreven in een taal die ik niet machtig ben, een gedetailleerd verslag van iedere voedseljacht – de bewijzen op tafel, Goethe achterna. Doch!
Ik kook, ik was, ik plas – ook dat nog, bak brood, taart, brouw weldra mijn eigen bier, de bouwzaamheden gaan overminderd door, bomen gaan om en worden opgestookt. Ik ken er alleszins een paar die ik flink door de mangel en mijn vooroordelen zou ik eindelijk kunnen omzetten in daden, ach, misschien haal ik zo wel op een dag de literaire bijlage van een of andere krant doch is al een paar keren gebeurd. Het houden van een dagboek niks eenvoudiger dan dat, maar wat als het jaar om is, stel dat er ergens een oorlog uitbreekt, of hongersnood, een nieuwe dans wordt uitgevonden, het zomeruur afgeschaft, de dagen der week herschikt, Vuile Mong zijn kot brand af.
Maar over mezelf niets, want van minder dan geen belang.