rook en vuur

Liever tien vogels in de lucht, dan één in de hand.

Twee balen vol

(By popular demand, zo drukte Max Collie (1931-2018) dat dan uit.)

Mij werd in de voorbije meimaand 14.45 u in schaars bedekte termen en met weinig omfloerste stem, 38° Celsius in de schaduw een brilmontuur halverwege Bertold Brecht en James Joyce Covid-19 alom, ongevraagd en in andere woorden meegedeeld dat de vervaldatum van mijn lichaam duizend vijfennegentig pillen bedraagt; Imatinib 400. Maar wat een droogte heerste er toen, het gras was als eerste ondergronds gegaan, de bomen geleken houtsnedes uit de negentiende eeuw, ikzelf een illustratie uit Simplicissimus. Tja, zei hij en fronste zijn wenkbrauwen. Ik lachte, maar niet hardop, in de kamer ernaast werden ogen gesloten. Duizendvijfennegentig pillen, godver-de-godver, à rato van één per dag maakt dat hooguit drie jaar. Vandaag vierden H en ik de honderdste pil: rijst uit Bengalen, safraan uit Perzië, lokum uit Beyrouth, brood uit eigen oven en taart zonder kers op.

* * *

Mijn meest geheime schat ieder najaar is een immense notelaar enkel bereikbaar via klim en klouter langs een professioneel overwoekerd pad waar boer noch tuinder en nooit spelende kinderen, één nacht code rood en in minder dan geen tijd raapte ik gisteren twee balen vol.

“Een intrigerende persoon”

In de vroege jaren zeventig hoorde ik in Zeeland een zogeheten dichter die thans en ondanks zijn uiterlijk in Antwerpen woont, bazelen of was het stamelen over landelijke dichters dit en Amsterdamse klootzakken dat, twintig jaar later leerde ik hem in een Gentse achterbuurt guacomole eten, van mes en vork had hij kort tevoren het bestaan ontdekt – van gebruiksaanwijziging geen sprake.
H en ik bewoonden in die dagen een echt rovershol, en ware het niet dat we daar geen huur betaalden, elektriciteit ontbrak en het water donkerbruin doch ondrinkbaar was, ik was nooit de flink uit de kluiten gewassen eigenaar zonder rijbewijs geworden van een glimmende Mercedes 280 SE van dezelfde kleur als die van Yasser Arafat – kom daar nog maar eens om in tijden van Corona en uitgestelde communicanten.
En voor wie al tot hier is geraakt – wiens dag dus toch al om zeep is, deze passage uit een brief dd 06.12.2008 (Zwarte Piet leefde nog!) van de edelachtbare Klaas van het Nederlandse poëziecentrum: “Al sedert ik van mijn poëzieverzameling serieuze zaak maakte, zoek ik naar volledigheid van bepaalde oeuvres. Die zoektocht bracht mij regelmatig in prachtige antiquariaten en obscure zaakjes waar ik vaak de mooiste vondsten deed. Zo trok ik ook ooit ergens wat kaften weg met de opdruk De Groote Beer, waarin dan weer katernen van o.a. Jan Baeke, Erik Lindner, b. zwaal, jan kostwinder, Jos Steegstra (beide laatste al weer jaren dood). Men vertelde mij dat de man die hierachter schuilging een bijzondere organisator van poëtische evenementen, een doorzetter, een boef was, genaamd Fernand Rosmans. De bronnen verschilden van André Swerts, Bert Bevers naar Guy van Hoof en -bij leven- Jos Steegstra. Er was lof, verholen kwaadheid-zonder-richting, bewondering en schamperheid. Alles wat bijdraagt tot mythevorming. En zo werd u voor mij een intrigerende persoon, die ik graag eens eerder had ontmoet.”

Renners in aantocht …

Ik heb en had en hoef en zal geen vrienden maten buren kinderen neven of nichten met wie ik zo nu en dan en af en toe, neen, sta me bij, geen-god-zal-mij, neen! Genoeg leed is mij aangedaan, en wat de toekomst nog bergt is wellicht ook niet veel meer dan de kaalgevreten granietbobbel waarop ik met gehavend gebit en getormenteerd gezicht een hamer uit de Sarma en een schop uit de Priba een kaveete een moestuin en een berghok, maar waar ‘s nachts wel de roep der uilen en het huilen van de wolf, de passie der boerenkinkels: het dagdoor geloei van Roger z’n koeien, het gemekker van Françoise haar geiten, het geblaat van ik weet niet wiens schapen, zeg maar: het gedaas der dwazen. Wat kunnen mij dus nog koude of warmte, rijkdom of armoede, een koffietje zònder en een koekje mèt, dat het regent dat het sneeuwt dat het vriest dat het dooit dat het dondert dat het bliksemt dat het om het even wat, als alle dagen maar op tijd de broek af en ik zelf iedere ochtend gezond weer op. Heet dat dan gelukkig zijn? Aan wie zal ik het vragen, wie zal het mij vertellen. Ziek ben ik, ziek blijf ik. Al zes maanden, hoe lang nog.
Al jaren beperkt mijn sociale leven zich tot het lezen van boeken tijdschriften en drukwerken allerhande, en het voor eigen gebruik schrijven en herschrijven en opnieuw herschrijven van wat dan ook over ik mij en mezelf en al de lieden en luiden die ik ooit of nooit. In alweer lang voorbije tijden sprak ik ieder jaar minstens elf mensen, soms meer, vorig jaar amper vier – nog drie te gaan. Aan brieven schrijven doe ik niet meer – zou niet weten aan wie, meer dan vijf jaar geleden dat iemand mij telefoneerde, vraag me niet wie of wat noch waarom of waarover, zelfs het toestel is de deur uit. Facebook, Twitter, i-Pad en Tinder, Instagram en koning Filip, de hertogin van Brabant en de kastelein van de Lion d’Or, rabbi Jacob en Derek Jacobi: alles en iedereen gaat aan mij voorbij. Zie ik er dan zo slecht uit? Reden tot lachen is er niet.
Hoe dan ook. In minder dan tien jaar wist ik mezelf herop te waarderen van ongewenst tot onbestaande, van man zonder toekomst tot jan zonder vrees, van iets tot niets tot balling zonder meer, tot wie ik altijd al was nog steeds ben en nimmer zal. Geen zwarte schoenen geen witte schoenen amper tanden, mij ontbreekt iedere pet en elke hoed, en sinds 29 april zelfs een deel van mijn ingewanden.
(Een dag uit het leven van.) 7 u: ik sta op, 8 u: ik maak vuur, 9 u: ik ontbijt, 10 u: ik hak hout, 11 u: ik bak brood, 12 u: ik bak taart, 13 u: ik maak soep, 14 u: ik eet, 15 u: ik was af, 16 u: ik slaap in, 16 u 30: ik word wakker, 17 u: ik tuinier, 18 u: ik word oud, 19 u: ik kijk film, 20 u: ik lees, 21 u: ik schrijf, 22 u: ik eet kaas brood en schrijf, 24 u op 24 u ben ik ziek. Van mijn vroegere klasgenoten herinner ik mij de handgebreide kousen, de te korte lange broeken, de lopende neuzen, de stilstaande horloges, al minstens negen van hen zijn dood. Wat kan ik daar nog aan toevoegen? Een punt, een komma? Wie Abraham kent, hoeft geen mosterd.

WELDRA