rook en vuur

Hel en hemel, een wereld van verschil.

Kaltgestellte pils

Ik was een schutterig jongetje dat zeer moeizaam ter wereld was gekomen want het woog zo zwaar, zo zwaar dat het eerst bijna dood en dan schijndood, doch helaas: ik raakte er weer bovenop, en bleef leven en dat doe ik nog, zoals ik al zei: helaas. Net niet mismaakt en allesbehalve adonisch van aard doorspartelde ik de troosteloze doch eindeloze jaargangen die het knapenschap en het jongelingenzijn voor mij in petto hielden: mijn mond paste zich aan en binnenin groeiden tanden waar en zoals het niet hoorde, die naar licht hapten zoals een koe in barensnood naar lucht, met twee ervan kon ik een fles ontkurken, John Massis leefde ervan. Nooit bloedde ik uit mijn neus en ik kon knikkeren als de beste, maar kwam er niet aan te pas, – voetbal, tennis, pingpong en badminton idem dito. De richels die gangen en klaslokalen in geval van tegen wateroverlast zouden beschermen waren mijn gedroomde vluchtheuvels: Jan, Erik, Raoul, Carlos, Guido en ik. Ieder jaar sterft sinds kort één van hen, en weldra ik – zo gaat dat. En toch, dag & nacht bouw ik ons een thuis, drink ik koffie uit de blauw geëmmailleerde kan (- heb ik eens voor bijna niets via via van de Deutsche Bundeswehr, maar dat terzijde) en zo nu en dan kijk ik uit het enige raam en tel de vogels, de uren en de minuten, de bloemen en het geld dat verstopt ligt in de bovenste la van onze enige kast, een zwaarbeladen erfenis. Een hoed draag ik nooit, maar indien op een keer wie weet dan zou ik graag een korte buis met bijhorende jas uit achttien in de zeventig: Amerika, Deadwood, Hell on Wheels. Zo dom als ik ben had ik me het zijn nooit voorgesteld, ik kon lezen, schrijven, rekenen, tekenen, abonneerde me op tijdschriften en dagbladen, kocht bloemen op moederdag en een assortiment schroeven en moeren op vaderdag, en een van mijn vrienden bakte ik de poets van zijn leven, bleek een moordenaar teweeg. Ik dacht, maar zie, thans en wellicht nog een wijle: ongewassen de dag in, en ‘s avonds moegetergd het licht uit. Bezocht nog nooit een sauna, betrad nog nooit alleenlijk een onbekend café, dronk in mijn hele leven minder dan een kwart van een liter whisky, geef mij maar een glas kaltgestellte pils of een kom patersbier en wat navenant Dublinersachtig plezier. Boeken te over, maar lezen, nog liever schrijf ik zelf iedere dag een ander telkens opnieuw hetzelfde verhaal.
Mijn laatste korte broek was in juli 1964, tweeduizendachthonderd vierenzeventig kilometer van hier, maar toch. Hop dus, nieuwe avonturen tegemoet.

Les amis d’antan (7)

Wel heb ik meer dan eens een kerel ontmoet die de duur van een blauwe maandag lesspeller was aan een der hoogste instituten des lands, het eigen hoofd echter zo hoog in het vaandel droeg dat zijn voeten geen grond meer genaakten zodat zijn benen overbodig hij van leverlijden naar de fles der waanzin greep, – zijn naam doet er niet toe, hijzelf evenmin. Doch dat hij  jaren geleden zijn giftige pad in mijn korf en zijn seniele lees debiele slang in mijn mand & mijzelf met de dood, nadat ik toch meer dan heel wat voor hem: E. R., bah!

Mijn wiegje

“Bedankt, lieve ouders, dat mijn wiegje …”
Mijn wiegje was 1948 een versleten wasmand met echt stro en een kussensloop vol kippendons kersenpitten en tot ieders verwondering een dode muis zo al niet twee, gedoken onder de pannen in de verste hoek van het alkoof dat mijn vader en mijn moeder in de stulp van mijn grootvader, die geen wielrenner niet fietsen kon, doch een wielenmaker was die aan onbekende ziektes leed en op vierenzeventigjarige leeftijd stierf – (kon ik maar schrijven: zie foto, hobbies had hij niet). En mijn oom de klarinetspeler die daar ook woonde, eerst ongehuwd dan als vader van twee kinderen: paling snoek en baars, maar ten getijde ook spreeuwen vinken en lijsters. Wij leefden de verhalen de novellen en de romans, Streuvels Claes en Timmermans schreven ze; eeuwig blijf ik mijn ouders dankbaar, en ook dat mijn vader vele oostfronters met de voornaam aansprak. Kort daarop echter keerde het tij: welvaart deed zijn blijde intrede in het land van valse beloften, nijd en afgunst in niet mindere mate. Het geweer werd van schouder gewisseld, doch de kogels bleven eensgezind fluiten.
Als vanzelfsprekend gingen we groter en hoger wonen, genoten we doch van het verkeerde: mijn vader en moeder leerden elkaar met mes en vork te eten, duimdikke vleeslappen ontsierden voortaan onze borden, en met gereed geld werd bij D’Ieteren Frères te Brussel een blauwgeverfde kever gekocht. Voor een handvol stuivers wees Rudolf Meccano die weinig later zou sterven ons op de gebreken: geen handrem, een losse klink, olieverlies. Wat weet hij daarvan, sprak mijn moeder, en: ge gaat toch niet naar hem luisteren. En toen we halverwege in panne vielen: hoe komt dat nu? Op zondag proefden we al eens wijn ook al was het en niet alleen ons inziens azijn, zelfs water dronken we niet langer met ons hoofd bluts en buil onder de kraan doch uit een echt en breekbaar glas. Op zaterdag hadden we verse soep en graag Chesterkaas op ons Nonkels natuurbrood, daar hoorde een kaasboek bij, een woordenboek en een atlas hadden we al – kostte allemaal wel een flinke duit, maar ja: we gingen nooit uit, wisten niet dat oesters eetbaar waren en venmin wat stadskledij was, we woonden op den buiten en teelden eigen ajuin knipten mekaars kruin en appels peren mispels krieken en erwten kregen we gratis van mijn moeders vader. Meer nog: op een dag kocht mijn vader zich kort voor de middag aan loket 2 een treinticket eerste klas naar Brussel, heen en terug, zesenveertig frank, maar toen hij wilde instappen mocht dat niet van de controleur die de vader van E was die in mijn klas zat en in B woonde, en zelfs dat is in ons nadeel afgelopen. En hoe: liever één slag onder de gordel dan tien op de muile! Goed geweten, zei de geestelijk gespleten en lichamelijk gehandicapte van tenaast de deur. Het maakte niet uit.
De dagen, de weken, de maanden, de jaren, er kwam maar geen einde aan. Het scheelde zelfs geen haar of ik leerde lopen, spreken, lezen en schrijven zelfs rekenen. Mijn vader die geen rechten had en er geen wilde werd ouder en ouder, en genoot doch met mate van zijn plichten. Genot was iets dat mijn moeder niet kende. Zo ook ik: een appel valt nooit ver van de boom, zeker een rotte niet.

Terecht.

Eerst hoog en dan veraf, toen laag en nabij. Door bos veld
en hei vuistdik de sneeuw holt de vos, laat weinig sporen.
In zijn tas geen glas geen bord, niet één duit. Geen laptop.
Wat restanten van genuttigde malen, de kop van een kip.
Mijdt de huizen, schuwt de mensen, vreest het licht. Terecht.

Revolutie!

Ik behoor tot het handvol mensen dat in de vorigeeuwse jaren zestig en zeventig één meter drieëntachtig mat 72 kgr woog en verkeerd doch geamuseerd opliep met het wiegje van vader Abraham, de bloemkolen van André van Duyn en de onbestaande charmes van de Zangeres zonder Naam, terwijl ik tegelijk notoir toog hing in de beste jazzclub van het land en met gekleurde corifeeën onderhandelde over de prijs van boskabouters als daar waren Chuck Berry en Memphis Slim om Champion Jack Dupree niet te vergeten, – het leven van zonsondergang tot zonsopgang, de klaarst mogelijke inzichten. Drie straten en evenveel stegen verder diende ik Simon Vinkenoog van ongevraagde repliek en menig politicus verbliksemde ik ter plaatse, vooral dewelke nuiten hun eigen geweten om in dure limousines werden aan- en afgevoerd, maar toen enkele meters van mij niet ver van de goorste gevangenis van het land Deep Purple zijn laatste laaiende akkoorden inzette en de hele santekraam haast letterlijk in vlam en vuur veerde ik recht als nooit tevoren en bracht ik geluiden voort die in de Encyclopdie der Domheid met twee asterixen beschreven worden, drie uur in de ochtend toen ik thuiskwam en mijn moeder de raag van één miljoen niet over haar lippen kreeg en mij zo het antwoorden verhinderde. Kort daarop veroverden Eric en de zijnen waaronder ik zelf het podium in wat heette Vorst-Nationaal, en aldus ontmoette ik Albert Frère, een of andere nageboorte van Piet Hein en at ik in Marokko de lekkerste couscous ooit met de achterneef of schuinbroer van de koning. In de gevangenis van Elvas zag ik hoe in een kuil ter grootte van een amfitheater uiterst donkere lieden werden mishandeld door heren met torenhoge kepie en ringen 18 kts, ik stond erbij en keek ernaar. Dat ik toen geen moord heb begaan en negentien jaar later evenmin: het spijt mij.
Iedere revolutie is van alle tijden. Kwart na zeven.

Bewoon mij

De koe die ik buffel olifant zwijn, mijn vriend weet te zijn,
de vogel die ik vliegen wil, het schip dat niet zinken kan
niet zinken zal, groot de beer die. Het zilte en de zwoelte,
de verhalen die ik verzin, de vele waarheden waar en onwaar
die ik bemin, alle en allen. Bewoon mij.

Hazen zijn landdieren

Ik was Bang de haas, twaalf jaar en mijn rol bestond erin om in de verste uithoek van het podium gehurkt voor mij uit te zitten staren en me af en toe achter de oren te scharten, dan zigzag naar de andere uithoek te huppelen, me te scharten tot ik huppeldehuppel weer mijn naam in de verluidspreker hoorde: ‘Bang de haas!’, en ik terug naar de eerstgenoemde hoek moest zigzaggen – hazen gaan immers niet recht door zee, het zijn landdieren. Edoch, er zat een splinter in de palm van mijn linkerhand want dat podium – in zoverre daar al sprake van, was zeer knudde, zeer knudde en de rest van de school alsook de leraars de leerlingen de stoelen de banken, alles, alles. Zeer knudde, ook dat wat er onderwezen werd, de klederdracht, de geur, het weer, de hele omgeving, het ganse land. Alle anderen hadden een rol om fier op te zijn, niet ik: Bang de haas, bah! En dan amper zeven op tien, lag het aan mijn zigzaggen aan mijn scharten hadden ze de keutels niet zien liggen en de afgeknaagde wortel, minder dan tien op tien leek me zeer onredelijk, onverantwoord. Maaaaar ja, 1960 en ik was moeders mooiste niet en door niemand geliefd en zo voorts, en mutualiteitis mutandis is dat nog ongeveer zo.
Uit alle omringende negorijen waren boeren en boerinnen afgezakt, per velo want wie had er toen al een fiets, allen zij wilden dat Latijn en Grieks van hun François Albert of Marcel wel eens in het echt zien. Iemand in de familie die Latijn kon spreken ook al was het maar één zin of Grieks lezen Thalassa, o Thalassa dat was niet niks in die dagen, en ook nu staan we weer zover, staan we weer nergens. De boeren knikten en lachten naar iedereen, drumden samen in de achterste hoek van de zaal, waren proper gewassen en vers geschoren, informeerden naar wederzijdse oogsten en de melkprijs, hun vrouwen deden alsof ze niet bestonden. Hoe anders de stedelingen waarvan sommigen postzegels verzamelden in een tweekleurige DKW reden of met een Panhard de speelplaats opreden ook al mocht dat niet, maar ze hadden twee bloemstukken mee: een voor de leraar-titularis en een nog veel groter voor de directeur inclusief een doos sigaren van de beste. Hun zoon was al jaren de eerste van de klas, ook nu en de fanfare speelde een korte maar krachtige Billie Turf, oren en zien verging als in de veel te kleine zaal de gamin het podium betrad en een bril droeg, twee jaar later waren de ouders failliet en mocht Panhard junior zijn jaar overdoen.
We waren met drieëndertig in klas zes b, het liep mijn benen af: eenendertigste Frans van den Toeter, tweeëndertigste Louis van den Toeter, nog had ik mijn naam niet horen afroepen en stonden we met nog maar twee aan de voet van wat me nu wel het schavot leek, drieëndertigste Soo van der Maelen. Hoe kon dat nu, mij hadden ze niet afgeroepen, ik begon te wenen want voelde nattigheid, barstte in tranen uit schreeuwde zo hard ik kon, mijn moeder kwam uit het niets naar voren gestormd, sloeg bijna te pletter, kon niet meer spreken van emotie, droeg een blauw kleed. Bleek dat ik de zesde was maar dat mijn leraar mijn naam was vergeten doorgeven. Ach, dat gebeurt, zei de secretaris, en hij overhandigde mij een boekenpakket ter waarde van niets: kapitein Zeldenthuis, Martin de IJsvogel en de zeventiende druk van De St-Jansvrienden. Het wordt stilaan tijd om eitjes te pellen.

Zie mij

Kan zingen, kan dansen, kan zwemmen, fluiten als de beste,
een sik geen haar vijftig tinten dwaas, heet Kurt Kevin
of Keith, ho maar: Karim of Akim, rijdt auto, speelt squash,
draagt linnen jas handgeweven tas, stapt met bescheten pas,
niet zelden een herdershoed. Zie mij.

Nooit voordien, erna evenmin

Mijn grootmoeder was een man van weining woorden: bier van het schap en lik op stuk, en met haar zin of tegen haar zin haar oudstgeborene geofferd als bruid aan een of andere zeer polygame God, maar geen verkeerd woord daarover uit haar mond. Ge zout echter van minder naar peper grijpen, – echter! Als enige ooit kocht zij voor mij eierkoeken, aan de laatste kraam van de wekelijkse markt net voor de rechte lijn naar het station vanwaar zij pak en zak per trein naar haar vlijtig prieel van komaf, 12 uur vierendertig, het allerprilste begin der jaren vijftig toen ik drie of vier haast vuur vatte op het moment dat de trein met houten banken nog en veel sissende stoom en spetterende gensters. Mijn moeder met zand tussen haar tenen en ik plakkers op mijn knieën waar nu fluisterasfalt, terwijl mijn vader handvollen Brylcrème en Amadis de een na de ander – goedkopere sigaretten hebben er bij mijn weten nooit bestaan.
Hoor, hoe ze een dik halfuur later hijgend de groengeverfde poort, maar geen haast varken en geit waren er gerust in geweest, alleen de spraak misten ze, een hond had ze niet en de kat was op alles voorbereid, een kater – wat wilt ge, een mens alleen, de zeventig ruim voorbij. Vroeg in de ochtend, februari nog en sneeuw een vuist dik had het de Heer der Heren behaagd in zijn eigen tuin haar goede man, mijn lieve peter, de allerbeste klompenmaker ooit; geen hulp had nog mogen baten. Sinds tilde zij op haar eentje het leven van velen, maakte van haar anderhalfhoog huis een warme kluis: soep met balletjes, vleesbrood met krieken en kroketten, likeurpralines, Elexir d’Anvers, rijstpap. Tot ook zij op een dag en de familiale onverdeeldheid groteske vormen aannam: vazen raakten gebroken, spiegels verbrijzeld, gordijnen gescheurd, konijnen bij de oren gevat, kippen achterna gezeten, de geit gemolken en het varken van weleer door stinkers die anders niks konden dan stinken, de vuile stinkers.
De nicht met wie ik als kleuter nog papier maché, droeg opvallend blauwe kousen en weergaloos witte schoenen, droogde doorlopend haar tranen, leek van porselein was zestien jaar, in de verste hoek, bukte zich voorover en zei: “Dat is ook lang geleden.” Ik was verdorie drie koppen groter dan zij, doch hield me doof en blind zoals mij van hogerhand opgelegd, en dat beklaag ik me nog steeds. Wilde haar nog vragen, maar hoorde vanuit de verte als van de ene berg naar de andere mijn moeder, dat ze het daar niet ging bij laten. Mijn vader startte alvast de contant betaalde donkerblauwe occasie, ik dubbelgevouwen achterin, mijn moeder zei nog, neen, ze zweeg, dagenlang. Nooit voordien had ik een dode vrouw van drieëntachtig gezien, erna evenmin.

Hij en Zij

1.
Terwijl hij zijn tanden poetste,
poetste zij de plaat.

2.
Terwijl hij de armen hielp,
nam zij de benen.

3.
Enzovoorts.