rook en vuur

Hel en hemel, een wereld van verschil.

De regel van twee (1)

1.
Was het de verplaatsing waard, vroeg ik. Neen,
zei hij. Kon ik hem niet geloven?

2.
Gezeten aan de waterkant, liet alle hoop varen.
Wie hem niet kende, wist beter.

Advertenties

Kwak-kwak

Mijn moeder zou wel een pauw in huis hebben gehaald, niet een hond of een kat – we woonden immers klein, maar ja, al die stront en hoeveel veren hoeft een reet, hoeveel ogen heeft een pauw. Van een Marokkaan kocht ze dan maar een parelhoen, vreemde vogel, zei ze en fronste haar wenkbrauwen: Angèle Marx. We kruimelden brood, gooiden handenvol gebroken mais, vulden een kom met water en nog een kom met water, spraken Frans en Engels, trokken smoelen en deden kwak-kwak. Mijn moeder op haar knieën, mijn vader aan de overkokende melk, en ik nabij het raam en zei: parelhoenen kunnen vliegen.

Ik

Ik heb en hoef en zal geen vrienden maten buren kinderen neven of nichten met wie ik zo nu en dan, en af en toe. Neen! Genoeg leed is mij aangedaan, en wat de toekomst bergt is wellicht ook niet meer dan de kaalgevreten granietbobbel die ik zeer tegen mijn zin bewoon en waar ‘s nachts de roep der uilen en overdag het geloei der koeien, het gemekker der geiten, het geblaat der schapen, het gedaas der verraders. Koude noch warmte kunnen mij nog deren, als alle dagen de broek maar op tijd en ik zelf iedere ochtend gezond weer op. Heet dat dan gelukkig zijn? Geen zangeres zo dood als een pier die het mij zal vertellen.
Al geruime tijd beperkt mijn sociale leven zich dan ook tot het lezen van biografische geschriften allerhande en het voor eigen gebruik schrijven van korte stukjes over ik en mezelf en al de lieden die ik ooit of nooit. In alweer lang voorbije jaren sprak ik minstens elf mensen, vorig jaar nog amper drie, en als ik dit schrijf is de maand mei ook al bijna om, 23 uur 45. Twee brieven, twee: een intrieste mare en een betaalherinnering. Meer dan vijf jaar geleden dat iemand mij belde, vraag me niet wie of wat noch waarom of waarover, zelfs het telefoontoestel is de deur uit. Facebook, Twitter, i-Pad en Tinder, Instagram en koningin Filip, de hertogin van Brabant: alles en iedereen gaat aan mij voorbij, – zie ik er dan zo slecht uit? Ik vraag het me wel eens af, reden tot lachen is er niet.
Hoe dan ook. In minder dan tien jaar wist ik mezelf herop te waarderen van ongewenst tot onbestaande, van man zonder toekomst tot jan zonder vrees, van iets tot niets tot balling zonder meer, tot wie ik altijd al was nog steeds ben en nimmer zal. Heb geen rijbewijs en draag geen kroon van doornen, geen schoenen van leder, mij ontbreekt iedere pet en elke hoed, zelfs doktersbezoeken zijn me vreemd – wel twee spoedopnames, telkens kort na middernacht. Zo komt iemand als ik ook nog eens ergens, zelfs de helse pijnen vielen al bij al nog mee. Tot de rekening.
Te eten, te drinken en alle andere levensnoodzakelijke domestieke rommel haal ik zo nu en dan hooguit tien keer per jaar in het vele kilometers verderop warenparadijs: L’enfer, c’est les autres. Brood en taart voor ons getweeën bak ik rond de middag, eigen fruit en groenten in de mate van het mogelijke en liefst bij zonsopgang, aan vlees doen we niet, alcohol drink ik amper en een Jacob van Meer slechts af en toe. Vijfhonderd euro per maand – daar leven we van, wat rest is smeer voor de beer: belastingen, lasten en taxen, contributies, bijdragen, afhoudingen. Het leven, ik heb er niet om gevraagd.
Van mijn vroegere klasgenoten – handgebreide kousen, foute schoenen en lopende neuzen, zijn er al minstens zes dood, zeven als ik Ferdy die een vriend was ook meetel. Wat kan ik daar nog aan toevoegen? Een punt, een komma. Dat ook mijn tijd van gaan haast is gekomen.

I.Q.

Hoe hoger de hoed,
hoe lager het I.Q.
(Zelf draag ik nooit een hoed.)

Nog steeds

Jaren her, winter in november: matrassen gingen door het raam,
officieren van justitie door het lint. Dan, deelde mijn zwart zaad
met een navenant konijn, verdween in het bos, belaagde ruiter en ros.
Kocht een jas, vond een das, deed een plas, riep: trossen los!
Jaren sinds, nog steeds winter in mij.

De pet geroofd

Als geen zoden meer aan de dijk, de gordijnen van mist.
Wordt in weliswaar nimmer op te helderen wisselvalligheden
een kind gedood, een klokkenluider monddood en vermoord.
Wordt van kleine jan de pet geroofd, van jan met de hoed
gezegd: wat hij ook doet, ’t is altijd goed.

Mei ’68

‘s Avonds, in de maand mei van het jaar 1968, kwam ik na een dag niksen kort na zeven uur thuis en vaak moest ik me nog reppen om het tv-journaal met de laatste berichten uit Parijs & de beelden van stenensmijters brandende auto’s en erop loskloppende flikken niet te missen, ik denk er nog vaak met plezier aan terug. Dan had ik urenlang in quasi lege auditoria rondgehangen, mijn thermos leeggedronken, een broodje kaas gegeten, in de bibliotheek wat buitenlandse kranten doorgenomen, een boekhandel bezocht, Marx Lenin Mao en Freddy hun ding laten doen, de hipste der meisjesstudenten met een mond vol tanden aangekeken hun kleren bewonderd en hun gang geïmiteerd, veel in de handen geklapt of hard boeh geroepen al naargelang de aanleiding vereiste. Dinsdag, woensdag, donderdag en alle andere dagen, maar op zaterdag of zondag niet, liepen we ons blaren op de voeten door straten waar we anders nooit kwamen, scandeerden als de Grieken holle leuzen en riepen onze kelen schor. Van eigen geld hadden mijn ouders zopas een Peugeot 404 gekocht, veel recht op protesteren had ik dus niet, hoewel: zij waren ik niet. We gingen de wetenschappers wakker schudden, maar dat lukte niet. We gingen het studentenrestaurant bezetten, maar dat lukte niet. We gingen het rectoraat bestormen, maar dat lukte niet. We gingen dit en we gingen dat, ha! Ik bestelde een pak frieten, donner kebab of pita bestonden nog niet. “Met zout?” “Ja, hoor, doe maar veel.”
Stel u voor, mei 1968: voor de prijs van drie keer niks kocht iemand in die dagen in Frankrijk nog een boerderij met een onoverzienbare lap eigen grond erbij of een als historisch monument geklasseerd kasteel temidden van een tuin Versailles waardig, wist ik veel. Marx Lenin Mao en vooral Freddy daarentegen wisten wel veel.

Steil, bruingeverfd en uiterst gevaarlijk

De trap was steil, bruingeverfd en uiterst gevaarlijk, mijn grootvader 74 en klaar. De hond aan de ketting, priester en akoliet al biddend onderweg, het Tweede Vatikaans Concilie nog volop aan de gang, en Woodstock. Woodstock, – wie had daar ooit al van gehoord.

18.36 u, iemand sloot zijn ogen, de zonen bogen voorover en beaamden knikkend wat ze de dagen voordien waren overeengekomen. Mijn vader droeg zijn blauwe pak, buiten speelden de neven Ronde van Frankijk, binnen schonk mijn enige nicht borrels als had ze de ziekte van Parkinson. Door de inwonende tante werd grootvaders geldbeugel vanonder de matras gehaald, eerst voorzichtig getoond en dan omzichtig geopend. Leeg, geen twijfel mogelijk. Mijn moeder droeg zwartlederen handschoenen en lippenstift van het merk Bourgeois. Het huis kwam de oudstgeborene toe, de jongste kreeg een stuk land en een visvijver, mijn vader was blij met het werkgerief van een der laatste wielenmakers uit de streek, ik ook. Thuisgekomen aten we Nonkels Natuurbrood, joegen we er een halve kilo gehakt door, stond de keukendeur op een kier.

Tot drie dagen na de begrafenis mocht de radio niet aan waren gekke geluiden uit den boze weerklonk kort voor het slapengaan de mantra der ivoren paternoster, dan hervatte het leven zijn gewone gang: we boerden weer met genoegen, lieten winden met plezier en à volonté, spraken terwijl we aten. Wie op school verscheen met een rouwbandje om steeg tijdelijk in de achting van hen die goed waren in kaatsen of voetballen, later accountant of makelaar zouden worden. 1964, iets meer dan vijftig jaar geleden.

Oerdom

Kijk mij: in penibele omstandigheden, – zeg maar.
Leger dan de vaten van communicatie, de Vlaamse poëzie.
Liep langs richels, overzag ravijnen, daalde naar de dalen,
waadde door de rivieren, dronk cola, riep: “Vriejdom!”
Tot plots een bos vol slagbomen. 24 jaar, oerdom.

Nooit

Nooit zal ik Amerika, Denemarken, Roland Garros,
boer Bavo of mijn kinderen, nooit. Hoe hoog ook
water zal golven, een permanent zit er niet in. Niet
het schrijven van een gedicht, niet het verzinnen
van een verhaal. Van snookeren ken ik zelfs de regels niet.